door Jan Van den Hemel In heel Europa ontstonden
in de 18e eeuw nieuwe stromingen. Het contrast tussen het Rationalisme,
de Zuivere Rede, en het sentiment, de verhevigde gevoelens, schiep ongetwijfeld
een gunstig klimaat voor deze nieuwe ontwikkelingen. Als men probeert inzicht
te krijgen in de vroegste geschiedenis van de fortepiano (en daartoe beperkt
dit artikel zich, ik spreek niet over bv. tafel- en giraffepiano's, piramide
en lyravleugels) blijken er nauwelijks gegevens vast te liggen op schrift;
het enige dat ons rest zijn enkele instrumenten. Bartolommeo Cristofori
wiens naam verbonden is aan de eerste fortepiano, lijkt zijn tijd ver
vooruit geweest te zijn. De feitelijke ontwikkeling kwam pas later op
gang, in het midden en einde van de 18e eeuw, en voor zover bekend, vooral
in de Duitse staten.
Het mechaniek dient ervoor om door middel van de toets, de dynamiek te beheersen: in deze overbrenging (het mechaniek dus) zat het eigenlijke probleem. Cristofori loste in vrij korte tijd bijna al deze problemen op en maakte eigenlijk de echte voorloper van het moderne mechaniek (afb. 1-3). Hij was in dienst van prins Ferdinand De' Medici in Florence. Scipione Maffei zag Cristoforis uitvinding in 1709 toen hij Ferdinand De Medici om protectie verzocht voor zijn tijdschrift "Giornale dei Letterati d'Italia". Hij publiceerde zijn artikel over de uitvinding van Cristofori in 1711 en in 1718 nog een keer in "Rime e Prose". Door de uitwisseling van de hoven in Florence en in Dresden (Saksen) werd de vinding ook daar bekend, en in 1725 publiceerde Mattheson de vertaling van Köning, de Dresdense hofdichter. Waarschijnlijk werd de uitvinding van Cristofori nu wat algemener bekend. Verschillende klavecymbelbouwers
legden zich toe op het vervaardigen van fortepianos. Een daarvan
moeten we serieus nemen: Gottfried Silbermann,
een orgelbouwer die ook, zoals in die tijd veel voorkwam, clavecimbels
en clavichords maakte. Na een aantal experimenten bouwde hij rond 1740
de latere versie van het Cristofori-mechaniek en kreeg hiermee een zekere
vermaardheid. Frederik de Grote kocht zelfs een groot aantal vleugels
bij hem. Er werd in zijn werkplaats ook met eenvoudiger mechanieken geëxperimenteerd.
Het "Stoss-mechaniek" en het "Prellmechaniek" worden
aan hem toegeschreven. Veel leerlingen van
Silbermann begonnen voor zichzelf en legden zich toe op de eenvoudigere
versies zoals het Prell- en het Stoss-mechaniek. Andreas Stein is zeker
een van de meest talentvolle van die leerlingen geweest en heft in ieder
geval het Prell-mechaniek zijn definitieve vorm gegeven (rond 1170). Men
spreekt dan van het "Duitse mechaniek". Door de latere hegemonie
van de piano-industrie in Wenen ontstond de benaming "Weense mechaniek". Er hadden zich twee typen mechaniek uitgekristalliseerd, 'die het meest werden toegepast, het Duitse of Weense, en het Engelse. De verspreiding van het eerste type beperkte zich hoofdzakelijk tot het Duitse gebied, terwijl het tweede type in Engeland en op een groot gedeelte van het vasteland gemeengoed werd. De verschijningsvorm van de Weense vleugel in de periode 1790-1815 is vrij stabiel. De omvang van het klavier wordt wel iets uitgebreider naar de discant toe, maar het idioom van de klank verandert niet veel. Toch was er geen sprake van uniformiteit. Elke bouwer had zijn eigen speciale kwaliteiten.
"...Der Wiener lässt sich von der zartesten
Händen leicht behandeln. Es erlaubt dem Spieler, seinem Vortrage
alle möglichen Nuancen zu geben, spricht deutlich und prompt an,
hat einen runden flÖtenartigen Ton, der sich, besonders in grossen
Lokalen, von dem akkompagnirenden Orchester gut underscheidet, und erschwert
die Geläufkigheit nicht durch eine zu grosse Anstrengung. Diese Instrumente
sind auch dauerhaft und beinahe im halben Preise der Englischen... Het Weense ontwerp leende zich niet erg voor verandering en moest het uiteindelijk afleggen tegen de ontwikkeling die gaande was in Frankrijk en Engeland (de volume race).
Een vrij groot aantal originele instrumenten (vooral uit het begin van de 19e eeuw) overleefde de tijd. Die instrumenten kunnen als inspiratiebron voor de hedendaagse bouwer dienen. Ik heb echter de indruk, dat de veelheid aan informatie de bouwers (en musici) eerder dwingt tot het angstvallig copiëren en dat men deze impulsen niet creatief benut. Mijns inziens is het belangrijk om tot creatieve instrumentenbouw te komen, niet om het instrument te "'verbeteren", maar om het te individualiseren. Jan Van den Hemel |