
door Jos Van Immerseel
Vandaag verstaan we onder een Weense vleugel
een instrument met een 'Prellzungenmechanik', voorheen Duitse mechaniek
genoemd, De rijke Weense pianofortecultuur tussen pakweg 1790 en 1850
koos resoluut voor deze mechaniek, gebouwd in vele varianten en uitvoeringen,
niet alleen in Wenen maar in alle Germaanse landen en zelfs in Italië.
Als tegenpool bestond de 'Stossmechanik', in Beethovens tijd vooral populair
in Frankrijk, Engeland, en daardoor ook in de V.S.
De instrumenten in Weense stijl boden een fijne, sensibele mechaniek met
een groot kleurenpalet (door de rotatie van de hamer en de leren dempers),
een klavier met geringe diepgang en een sprekende klank met grote draagkracht.
Typisch is ook het variabele karakter in de verschillende registers.
De instrumenten in 'Engelse' stijl waren robuust gebouwd en zochten meer
naar een grondtonige klank, egaler over het klavier, een confortabeler
mechaniek en een luidere klank (tenminste toch dicht bij het instrument).
Zij waren de voorlopers van de vleugel van onze eeuw, terwijl de Weense
stijl volledig verdween. Zo gezien zou men zelfs zeggen dat de Weense
pianoforte, net als het klavecimbel of het klavichord eigenlijk een ander
instrument was dan de hedendaagse vleugel. Hoe kunnen we nu weten welke
vleugel Beethoven inspireerde? Er zijn de brieven, de composities, de
instrumenten en de getuigenissen. De zowat 2300 brieven zijn toegankelijk
in de nieuwe becommentarieerde uitgave van Henle-Verlag. In talrijke bekende
en gerepertorieerde brieven spreekt Beethoven over pianofortes, soms met
opmerkingen over een welbepaald instrument, meestal echter met tevredenheid
en zelfs geestdrift (ik hoop de tijd te vinden om in een artikel eens
een volledige opsomming te geven van al deze brieven). Nergens vinden
we een spoor van een algemene ontevredenheid over de pianoforte van zijn
tijd, zoals men in de 20ste eeuw meer en meer is gaan vertellen. Namen
van bouwers die veel terugkomen zijn Walter en Streicher. De goed bewaarde
Walters en Streichers geven inderdaad inzicht in de harmonische relatie
tussen de composities en deze instrumenten. Aan deze instrumenten kan
men ook vaststellen dat Beethoven nooit iets voorschrijft wat niet kan.
Maar om dat te weten moet men jarenlang met deze instrumenten omgaan en
... studeren.Dertig jaar geleden rees er nog hoongelach toen er geopperd
werd dat Beethoven de Mondscheinsonate (ook de finale) voor een vijfoctaafsinstrument
geschreven had. Het verdict luidde: niet te doen. Vandaag zijn er meer
en meer pianisten die het gewoon doen. Zonder voorkennis lijken vele momenten
in Beethovens composities verwonderlijk, omdat hij zo graag tot het uiterste
gaat in dynamiek en ook in tessituur.Zo demonstreert hij herhaaldelijk
in vele werken, dat hij de laagste toon, de F van het contra-octaaf, een
uitdaging vindt. Czerny, zijn trouwe leerling, vertelt ons honderden details
over hoe Beethoven het allemaal wou. Een zeer degelijke beschrijving van
de instrumenten uit Beethovens tijd kan men lezen in het boek 'Van Piano
tot Forte'van Christo Lelie (1995, Kok Lyra, Kampen).
De instrumenten die in Beethovens bezit
waren blijven tot op vandaag echter verwarring stichten. We weten dat
Beethoven Weense vleugels bezat en bespeelde en toch denkt men steeds
weer aan de Parijse Erard uit 1803 (Linz/resp. Wenen), de Londonse Broadwood
uit 1817 (Budapest), en de Graf-vleugel uit 1825 (Bonn, Beethovenhaus).
Het zijn deze instrumenten die bewaard bleven, en steeds weer geciteerd
worden, maar het zijn ook deze instrumenten die door Beethoven nooit aangekocht
zijn. De Erard en de Broadwood waren een 'geschenk', duidelijk met commerciële
bedoelingen, en de Graf was een leeninstrument, vooral bedoeld om Beethoven
bij middel van hoortrechters toch nog iets te laten waarnemen, de laatste
twee jaren van zijn leven, m.a.w. geen artistieke keuze.
Deze drie instrumenten zetten ons zonder verdere kennis op een verkeerd
been. De Erard (met 'Stossmechanik') beviel Beethoven niet, en Beethoven
vroeg Streicher het instrument om te bouwen. Wat er mee gebeurde staat
beschreven in het artikel van Josef Mertin in de Beethoven Almanach uit
1970: de toetsen werden aan de voorzijde verlengd, het draaipunt naar
voor geplaatst, de hamers werden beleerd op de Weense manier, en de diepgang
werd van c. 9mm. teruggebracht op c. 6,5mm.
Hierdoor werd het instrument niet alleen'Weenser' gemaakt, sterker nog,
het werd beroofd van de'moderniteiten' van Erard. Na deze ombouw bevredigt
het instrument Beethoven nog steeds niet, hij probeert het te verkopen,
en geeft het tenslotte weg. Dat is begrijpelijk: de volle akkoorden in
de bas die hij zo graag schreef, klinken niet doorzichtig op de Erard,
de versieringen zijn moeilijk uit te voeren, en de demping werkt minder
precies dan bij het Weense systeem. Bovendien is de as van de hamer op
een niet bewegende lijst gemonteerd, waardoor het kleurenpalet van de
Weense vleugel niet bereikt wordt.
De Broadwood kwam op het moment dat Beethovens doofheid dramatisch werd,
(en dat zijn meeste klavierwerken reeds gecomponeerd waren), en omdat
een Broadwood dichterbij luider klinkt, is het mogelijk dat het instrument
Beethoven kortstondig kon tevreden stemmen.Toch liet hij de vleugel al
gauw verwaarloosd achter. Trouwens Beethoven was inmiddels geen uitvoerend
pianist meer, en concentreerde zich meer en meer op het componeren.
De Graf tenslotte speelt een te kleine rol in het verhaal, want toen hij
arriveerde waren alle klavierwerken reeds voltooid. Beethovens voorkeur
voor de vleugels met Duitse/Weense mechaniek is onmiskenbaar, zowel theoretisch
als praktisch.
Toen Wolf Erichson, de producer van het
Sony -Vivarte mij in 1993 vroeg een tiental cd's in te spelen met muziek
van Schubert en Beethoven (w.o. de vijf concerti), kon ik voor de vroegere
muziek mijn Walter-facsimiIe van Christopher Clarke inzetten, maar voor
de latere muziek bezat ik geen geschikt instrument.
Omdat de opnamen gecombineerd werden met concerten, en de opnamelocaties
vastlagen, viel de mogelijkheid weg, om met historische instrumenten uit
publieke musea te werken. De eerste opname was gepland in april 1996,
ik had dus slechts twee jaar om een oplossing te zoeken.
In theorie waren er vier mogelijkheden:
a) een facsimile lenen bij een private persoon of de bouwer.
Ik bezocht en bespeelde de beschikbare instrumenten, maar vond dat ze
ofwel muzikaal niet boeiend genoeg waren ofwel technisch ontoereikend.
Vergeet niet dat bij het spelen met orkest nog extra parameters toegevoegd
worden, zoals voldoende projectie en volume, en stemstabiliteit.
b) Een facsimile laten bouwen
De bouwers die dat kunnen zijn op één hand te tellen, en
hebben langere levertijden dan twee jaar. Dat was dus niet realistisch.
c) een historisch instrument lenen bij een private verzamelaar.
Dit is een bijzonder moeilijk punt, want de meeste verzamelaars (als
men ze al kent ... ) zijn discreet en meestal niet geneigd instrumenten
uit te lenen. Daarnaast is er de vraag of een historisch instrument van
bijna tweehonderd jaar oud nog in conditie is om transport en opname te
doorstaan. Bovendien is er de vraag of het historisch instrument behalve
zijn documentaire waarde na tweehonderd jaar nog voldoende muzikale potentie
heeft.
Ik overliep de verzamelingen die ik kende en bezocht een aantal die ik
niet kende. Een enkele verzamelaar stond uitlenen toe, maar onder de voorwaarde
dat het instrument alleen gestemd mocht worden. Als verzamelaar zou ik
misschien hetzelfde doen, maar voor de uitvoerder is zo'n voorwaarde niet
acceptabel: hoe kan men professioneel functioneren als het instrument
niet geregeld en geïntoneerd mag worden? Ook deze mogelijkheid viel
dus af.
d) een historisch instrument verwerven.
En toch gebeuren er wonderen.
Net op het moment dat ik dacht dat ik het
volledige cd project moest annuleren (we waren al 1995), signaleerde Ted
Diehl mij een zesoctaafse Weense vleugel 'in perfecte conditie', en nog
wel in een pianohandel: Andriessen in Haarlem. Ik nam Teds woorden ernstig,
want hij was jaren klavecimbelbouwer en zijn beschrijving van de technische
details gaf veel hoop. Bovendien ging het om het type dat ik werkelijk
zocht.
In Haarlem trof ik een wonder aan: een Weense
vleugel, maar in Leipzig gebouwd door Johann Nepomuk Tröndlin, een
weinig bekende bouwer (maar volgens Hubert Henkel één der
beste uit de Germaanse cultuur), met een gave klankbodem, een absoluut
niet getorst meubel, een prachtige mechaniek met een subliem gesneden
klavier en prachtig beenbeleg en verregaand in originele staat. Maar er
was een probleem: de vleugel klonk vrij mat (in de volkstaal gezegd, alsof
er een matras in lag), vooral in bas- en diskant. En daarom stond hij
er al vele jaren. Andriessen vertelde me dat er op een dag zelfs drie
Japanners met een gezwollen creditcard en een aller-retour ticket kwamen
kijken, twee uur rond de vleugel draaiden, en het maar verdacht vonden.
Ik ben deze heren dankbaar dat ze niet zagen dat er verkeerde snaren op
lagen en dat de (vernieuwde) buitenlaag hamerleder nooit een goede klank
kon geven.
Andriessen gaf me bedenktijd en ik mocht de vleugel mee naar huis nemen
voor enkele maanden.
Bijgeroepen top-restaurateurs Jan Van den
Hemel en Christopher Clarke bevestigden de uitzonderlijke kwaliteit van
de vleugel en herkenden de potentie. Ik kon het instrument definitief
verwerven en Jan Van de Hemel begon een zachte en behoedzame restauratie
(snaren, hamerleder in een eerste fase, demping en reglage in een tweede
fase), en de vleugel groeide en toonde zijn ware gelaat.

De opname in april'96 kon doorgaan. Tijdens deze opnamedagen kwamen nog
wat zwakke plekken te voorschijn, en die werden met veel geduld en experimenteren
weggewerkt.
Vandaag is deze Tröndlin één der mooiste originele
Weense vleugels' geworden', wereldwijd. Bovendien doorstaat hij wonderwel
de transporten (toegegeven, de fabelachtige machine 'Klavierroller' speelt
hierbij een ingrijpende rol), en houdt beter stemming dan welke andere
Wener.
De karakteristieken van deze vleugel met zijn typisch Weense driemaal
gebogen wand zijn als volgt te beschrijven: helder sprekend en warm zingend,
een kernachtige fagotachtige bas, een stralende hoogte, een prachtige
moderator, een voor een historisch instrument perfect klavier, en registers
en demping die zelfs niet de kleinste parasiet laten horen.
Moest Beethoven hem bespelen, hij zou meteen brief nr. 2301 schrijven.
Jos van Immerseel, januari 1999

Hoofdpagina
|