door Jan Rispens en Jan Boon

In 1996 werd in het departement Muziek en Dramatische Kunst (Conservatorium) van de Hogeschool Gent de specialisatie instrumentenbouw opgericht. Er werd geopteerd voor de nieuwbouw van strijkinstrumenten, clavecimbels, orgels en pianofortes.

Klavier voor Pfister.  Bouwer: Jan Van den Hemel
Klavier voor Pfister. Bouwer: Jan Van den Hemel

Deze opleiding past uitstekend in het kader van het Conservatorium omdat hand in hand kan gewerkt worden met de toekomstige bespelers van de instrumenten.
De instrumentalisten zijn te beschouwen als de ultieme toetssteen voor de instrumentenbouwer en de contacten tussen bouwer en musicus - de noodzakelijke artistieke kruisbestuiving voor de ontwikkeling van het ideale instrument - zijn een historisch gegeven.
In de gebouwen van de Bijloke-campus werden de geschikte ruimtes gevonden en uitgerust.

De specifieke werktuigen werden aangekocht; een belangrijke hoeveelheid bijzonder mooi, droog hout werd verworven; een gespecialiseerde bibliotheek wordt uitgebouwd. De technieken die worden aangewend om de bouw van een instrument te realiseren zijn complex. Het welslagen van de toepassing ervan is niet incidenteel maar gebonden aan aanhoudende evaluatie en onderworpen aan voortdurende bijsturing. Voor de begeleiding van de praktijkvakken werden gevestigde bouwers aangetrokken:
François Bodart (lutherie)
Jan Boon (clavecimbel en orgel)
Hilde Coessens (stemmen en intoneren)
Jan Van den Hemel (pianoforte)

Zij zetten hun professionele werkzaamheden als het ware voort in het atelier van de school. Niet alleen is er het nut van de voorbeeldfunctie (de oudste en meest beproefde methode van overdracht); het atelier wordt geanimeerd en de noden ervan worden perfect aangevoeld en gelenigd.

De opleidingscyclus omvat vijf studiejaren, opgesplitst in twee kandidaturen en drie meestergraden. De praktijkvakken worden theoretisch ingebed (muziekgeschiedenis, akoestiek, filosofie, theorie en praktijk van de oude muziek, enz....)

Aanvankelijk worden in het atelier de diverse basistechnieken aangeleerd aan de hand van het bouwen van eenvoudige instrumenten (monochord, tetrachord, hakkebord, ... ).
De noodzakelijke - persoonlijke - gereedschappen worden vervaardigd. Ondertussen informeert de leerling, zich grondig over het instrument dat nadien zal worden gebouwd. Hiervoor wordt geput uit het patrimonium van de historische instrumenten: binnen- en buitenlandse musea en particuliere collecties worden bezocht, de nodige gegevens worden vergaard in de vorm van opmetingen, klankopnames, foto's, afgietsels ... De leerling krijgt een initiatie in de kunst van het stemmen, afregelen en intoneren en verdiept zich in de basisliteratuur over instrumentenbouw. Wanneer wordt aangevangen met de bouw van een (eerste) volwaardig instrument wordt de materialenkennis uitgebreid. Er wordt beraadslaagd over de keuze en de aankoop van hout en andere grondstoffen. De ambachtelijke handelingen en systemen worden eigen gemaakt en de continue ontwikkeling en verfijning ervan worden aangewakkerd. Stem-, afregel- en intonatie- technieken worden geoptimaliseerd. De zintuigen worden aangescherpt en richten zich op één en hetzelfde doel: streven naar evenwicht, dynamiek en harmonie. Voortdurend en herhaaldelijk contact met de historische voorbeelden, uitdieping van de vakliteratuur en de bestaande informatie en documentatie, dialoog met gedreven vorsers, leiden - via een ontwikkeling van het stijlbewustzijn tot een stijlgetrouwe attitude. Voortdurende en herhaaldelijke confrontaties met musici ontwikkelen de inzichten in de speelaard van het instrument en bevorderen de vertrouwdheid met het klankidioom.

Bij dit alles wordt de leerling steeds aangespoord tot het nemen van initiatief en gestimuleerd tot zelfstandig werk, dit in naam van het fundamentele belang van de empirie. Het handelen, zich manifesteren, vooraleer tot een kritische reflectie te komen, en daardoor ook het kunnen begrijpen, is immers een proces dat zich veruitwendigt - doorheen de hele geschiedenis - in cultuur in de ruimste zin van het woord en dat frappant aanwezig is in een métier als instrumentenbouw (dit verklaart de waas van alchemisme en geheimzinnigheid die dit vak omsluiert ... )

Tegen deze achtergrond kan, binnen de beperkingen van de traditie van de instrumentenbouw - een traditie die ontspruit uit een historische interactie tussen muziek en uitvoering - de creativiteit openbloeien. Zo wordt de bestendige evolutie van het vak verzekerd. Er wordt nauwlettend gewaakt over het behoud van de kwaliteit. Het gepresteerde werk wordt jaarlijks onderworpen aan het kritische oordeel van een examenjury, die bestaat uit eminente musici. Zo wordt een beroep gedaan op Jos van Immerseel voor de klavieren, en op Sigiswald Kuijken voor de lutherie.



Hoofdpagina